Een gezonde bodem is de basis bij De Lingehof
Zodra bij Ekoboerderij De Lingehof de lente aanbreekt, gaat niet alleen het zaaigoed de grond in, maar ook de thee. Niet om zelf te drinken, maar voor een gezonde bodem. Ze maken hier hun eigen brouwsel vol micro-organismen dat hun bodem een levendige voorjaarsstart geeft.
André en Linda telen Lekker Lupine bonen voor Luna e Terra. Zeven jaar geleden maakten ze de overstap naar het Demeter-keurmerk. “Zo veel mogelijk mest en maximaal ploegen voelde niet goed,” vertelt André. “We wilden de bodem in balans brengen. De principes van Demeter passen bij een regeneratieve manier van werken.” Sindsdien gebruiken ze minder mest, ploegen ze nauwelijks nog, werken ze met uitgebreide wisselteelt en zaaien ze een mix van vlinderbloemige groenbemesters. Ook maken ze gebruik van de Demeter-preparaten. Toch knaagde er iets. “We voldeden aan alle eisen, maar hadden het gevoel dat er nog iets ontbrak.”
Vitaliseringsruimte
Dat bracht hen bij een cursus over het verlevendigen van de bodem. Ze leerden hoe ze zelf compostthee konden maken en startten met het inrichten van een speciale ‘vitaliseringsruimte’ op hun bedrijf. “Geen yogaruimte,” lacht André, “maar een plek waar we compost en compostthee maken.” De basis is wormencompost, gemaakt van snoeiafval uit hun eigen hoogstamboomgaard, blad en mest. In bakken doen compostwormen ruim een jaar hun werk. In de lente gaat een deel van die compost in een enorme ‘theepot’, vermengd met lauw water. “De micro-organismen vermeerderen zich en die brengen we daarna op het land,” legt André uit. “Het idee is dat ze het bodemleven verlevendigen en weerbaarder maken, en daarmee ook de planten die erop groeien en uiteindelijk degene die de oogst eet.”
De thee het land op
Maar hoe breng je zo’n levende compostthee eigenlijk op het land? “We hebben nooit met een spuit gewerkt,” vertelt Linda, “dus we hebben ook geen spuitmachine om de thee uit te rijden.” André ontwierp daarom zelf een oplossing waarmee de compostthee via de schoffelma chine op het land wordt gebracht. Voor de toekomst dromen ze groter. “We zouden heel graag met drones werken,” zegt Linda. “Die zijn ideaal, omdat je ook op natte dagen kunt vliegen zonder de bodem te belasten met zware tractorbanden.” Ze zien ook kansen om met drones verschillende gewassen op één perceel in te zaaien, zoals klaver in granen of haver in lupine. “Dat hebben we gehoord van lupinetelers in Zwitserland,” vertelt Linda. “Door een kleine hoeveelheid haver tussen de lupine te zaaien, hebben zij minder last van schimmelziekten.” Op hun kleigrond, in een relatief vochtige omgeving, is dat extra relevant.
Voedingskwaliteit Is het effect van al dat werk al zichtbaar? André is eerlijk: “Ik weet nog niet of we het kunnen meten, maar ik geloof er wel in.” Linda kijkt daar anders naar. Zij wil het graag wetenschappelijk onderbouwen. “Als je de plantengezondheid en voedingskwaliteit verhoogt, zou je dat toch moeten kunnen aantonen?” Dat verschil in benadering blijkt juist hun kracht. Het is onderdeel van een grotere puzzel, waarin alle inspanningen samen zorgen voor een product van topkwaliteit.